Ambachtslieden

Dat is dan zo’n dag in Januari/ Februari waarop er bijna geen wind is en de zon s ’middags op de bijenkast schijnt. Zo’n lekker weertje waar je dan gewoon zonder jas naar buiten stapt valt op en dan denk ik ook gelijk aan m’n bijen, omdat die op zo’n dag even een luchtje komen scheppen en hun ontlasting eruit gooien. Bijenbezitters weten dat, dus moeder de vrouw wordt gewaarschuwd dat de was vóór 1200 uur naar binnen moet (bestaat dat eigenlijk nog, de was buiten hangen?). Rond 1500 uur wordt het weer rustig en zitten de dames (de mannen zijn er vóór de winter al uitgegooid) allemaal weer om hun koningin heen genesteld om haar voldoende warm te houden. Hare majesteit heeft het goed met haar onderdanen want ze houden het nog altijd zo’n 15 graden Celsius door op een kluitje rond haar te zitten en hun warmte af te geven, wat een prestatie leveren die meiden!

Zo’n prachtige dag in de winter laat dan weer behoorlijk lang op zich wachten maar als de temperatuur boven de 10 graden komt en wind en regen houden zich gedijst beginnen ze begin/ half Maart aan de Wilgenkatjes, de Krokussen en Sneeuwklokjes (als die nog bloeien) te snoepen. Met een mooie dag kijk ik in de kast hoe de bijen de winter zijn door gekomen. De honing van vorig jaar is nagenoeg opgesoupeerd en de koningin legt nu alweer volop eitjes, tot wel 2000 per dag! Uit de onbevruchte eitjes komen na 3 dagen de larven en deze groeien razendsnel dus er moet zo snel mogelijk stuifmeel gehaald worden om ze te voeden en honing voor de bijen en koningin zelf in slechtere tijden, als het vaak regent en waait. De eerste larven die uitkomen zijn direct harde werkers, kamers schoon houden, larven en koningin voeden, sowieso de eerste 20 dagen in de kast blijven en daarna uitvliegen op zoek naar honing en stuifmeel. Een deel van hen is sterk gericht op het uitbouwen van het nest met de was die ze zelf produceren. Geweldig bouwmateriaal die was, dat zullen vele kunstenaars beamen (denk bv aan wassenbeelden musea) Met de was uit hun wasklier bouwen de bijen de 6-kantige kamertjes waar de larven in groot worden en de honing in opgeslagen wordt, een ijzersterke, vernuftige constructie en prachtig om te zien. Als de beste rekenmeesters; vanaf twee kanten beginnen met bouwen en exact op eenzelfde maat kamertje uitkomen bij elkaar, precies pas! Voor mij zijn het toegewijde bouwvakkers, ambachtslieden. In Maart gaan ze weer volop aan de gang en als je ziet wat deze gevleugelde dames binnen een paar dagen voor bouwwerk creëren wordt er iets in je geraakt.

Dat bouwen van ambachtslieden dwingt respect af. Timmerlieden die hout ‘kneedbaar’ maken, loodgieters die met zink, koper en lood ware kunstwerken maken, metselaars die de stenen in een patroon schakeren, stratenmakers, meubelmakers, etc.  Zo’n vakman met zijn talent en passie aan het werk zien is een cadeautje, ik kan er volop van genieten. De handigheid, de vanzelfsprekendheid, de rust die er vanuit gaat en het resultaat. Het fascineert me, verbaast, ontspant en is jaloersmakend. In mijn ogen zijn het vaak kunstenaars die de oplossingen bedenken tijdens het maken en daarbij de architect informeren en helpen; “zullen we het zo doen, dan is de  aansluiting beter op dat andere materiaal en wordt het gemakkelijker te onderhouden”, de architect zegt nonchalant “och als het zo ook kan” maar maakt dan in gedachte een diepe buiging en laat de ambachtsman zijn werk doen. Als meubelontwerper/ architect/ tuinarchitect, etc. overleg je graag met de vaklieden, praat je over de resultaten van de fases die zichtbaar worden, zie je de details die het verschil maken en heb je graag de materialen als hout en steen in je hand. Vaak hebben de creatieven die het achter de tekentafel moeten bedenken in hun jongere jaren vele ambachten doorlopen; timmeren, metselen, bestraten, grond verbeteren, beplanten en hebben de plannen van papier tot werkelijkheid gemaakt. Eigenlijk kan het ook niet anders, de creatief moet het materiaal met de zintuigen aangeraakt hebben, empathie met je project krijgen en daardoor het enorme scala aan mogelijkheden zien. In 1990 ontdekte ik dat er in het begin van de 20e eeuw een opleiding in Weimar was die kunstenaars, architecten en ambachtslieden opleidde, ik was blij verrast en voelde het als een bevestiging van mijn overtuiging; door praktijk, talent, enthousiasme en kennis met elkaar tot ontwerpen komen van vernieuwende waarden. Bauhaus bleek een ‘vinding’ te zijn, een inspiratiebron, een plek waar verschillende talenten elkaar opstuwde. Nederland was ook vertegenwoordigd met leraren als Mart Stam (architect, bv Van Nelle fabriek Rotterdam, meubelontwerper), Theo van Doesburg (kunst, architectuur, poëzie, meubels)  en enkele gastlessen door Pieter Mondriaan.

Andere bekende kunstenaars/ architecten die hier les gaven waren Henry van der Velde virtuoos architect, schilder, edelsmid, meubel-, mode-, tapijtontwerper, Walter Gropius architect, Ludwig Mies van der Rohe architect en de schilders Wassily Kadinsky, Paul Klee en Kazimir Malevich,. De Wikipedia pagina geeft een goed overzicht;  https://nl.wikipedia.org/wiki/Bauhaus

Bauhaus werd een stroming, een stijI. Sober, strak, alle tierlantijntjes weglaten.  Rond 1990 heb ik veel gelezen over en gezien van Bauhaus en werd me van twee dingen bewust. Het eerste was dat deze ontworpen, strakke eenvoudige vormen prachtig samen gaan met natuur. Bomen, struiken, planten, steeds maar weer door-ontwikkelend, waardig oud wordend groen  en de veroudering van het harde materiaal, een prachtige versmelting van strakke bouwkundige vormen, met natuur en vice versa. Het tweede was de grondgedachte van de opleiding Bauhaus; laat vakmensen, creatieven, ambachtslieden, leerlingen, met ieder hun eigen passie en talent samenwerken dan ontstaan de meest fraaie bouwwerken en gebruiksartikelen, ware kunststukjes.

luc engelhard