‘Mens, natuur én architectuur met architectuur met elkaar verbinden’

Een gesprek met Luc Engelhard is een ode aan de mens, de natuur en de architectuur. Gepassioneerd probeert hij deze drie elementen als een éénheid te zien. Inspiratie haalt hij uit alle kunstvormen die op zijn weg komen. ‘Wie zou ik zijn zonder mijn voorgangers?’

Het waren die paar dagen in Parijs. Luc Engelhard kwam net van de Middelbare Tuinbouwschool, had ontdekt dat de negen-tot-vijf-structuur, én het werken voor een baas niet tot zijn specialismen behoorden en zocht naarstig naar een weg die hij wél moest inslaan. Hij was twintig toen zijn broer hem voor een paar dagen richting Parijs duwde. ‘Ga daar maar eens aan de wereld proeven!’
Engelhard bezocht Parijs toen Centre Pompidou nog maar net haar poorten had geopend. Het tumult over het spraakmakende gebouw gonsde nog door de buurten rondom het museum. Wijken met toen nog wat versleten authentieke uitstraling. Niet alleen de buitenkant van Centre Pompidou maakte indruk op de jonge bezoeker. Ook binnen kwam Engelhard in aanraking met bijzondere kunstuitingen. ‘Ik maakte kennis met Pablo Picasso, Georges Braque en Fernand Léger. Ondanks het feit dat ik er weinig van begreep, maakten hun vormen kleurgebruik veel indruk op me.’ Vanuit het museum liep Engelhard Café Costes in. Een café waarvoor Phillipe Starck net de inrichting had verzorgd en waar Engelhard een tweede heftige kunstervaring opdeed.

Rue du Temple
Wat later vervolgde hij zijn weg richting Rue du Temple, een straat die nog altijd gedomineerd wordt door kunstzinnige ambachtslieden. Zijn oog viel op individuen zoals meubelmakers en schoenmakers. ‘Ik zag mensen aan het werk die bijzondere dingen maakten. Ik proefde daar het fenomeen ambacht en herkende mijn verbondenheid daarmee. Alle ervaringen die ik die paar dagen in Parijs opdeed, waren intens. Dat gevoel moest ik bij me zien te houden!’ Kunst was Engelhard overigens niet vreemd. Hij groeide er mee op. Binnen het gezin werd er tijdens maaltijden veel over theater, architectuur en andere kunstvormen gesproken. Er was aandacht voor museumbezoeken en Luc’s broer volgde de kunstacademie. Op vakanties stonden als eerste vaak grote steden en hun culturele bezienswaardigheden op het programma. Pas daarna kwam een zonnige kust of het rustige platteland aan bod.
Niet alleen kunst werd de rode draad. In zijn vroege jeugd ontwikkelde zich bij Engelhard een tweede passie: de natuur. Het gezin woonde aan de rand van de stad met op 400 meter afstand de eerste boerderij.

De omgeving kenmerkte zich door landweggetjes, dijken en water. Het was een gebied van vogels en kikkers en ontdekkingsreizen waren aan de orde van de dag. De natuur fascineerde hem net als de boer verderop die in samenhang met die natuur zijn bedrijf runde. Als kind dacht hij dat hij later ook zo’n bedrijf wilde. ‘Maar de boer raadde mij dat af. Hij waarschuwde me ervoor dat een boerenbedrijf uiteindelijk ook gewoon een fabriek is en dat een leven als boer niet zo romantisch is als het vaak lijkt.’ Geen boer dus maar de binding met de natuur bleek blijvend. ‘Natuur is mijn aard. Ik heb al lang geleden ontdekt dat zonder die natuur mijn leven een stuk minder zinvol is. Dat geldt voor mij persoonlijk maar zeker ook voor mijn werk.’

De diepere laag
De twee verschillende werelden waarin Engelhard uiteindelijk opgroeide, natuur en kunst, werden de twee stevige peilers waar zijn verdere loopbaan op zou steunen. ‘Ik volgde de Middelbare Tuinbouwschool maar voelde dat dat eigenlijk niet mijn plaats was. Ik leerde dingen die honderden mensen al deden en nog steeds doen. Ik miste een diepere laag, en ik had de behoefte die zelf te ontdekken. Ik wilde iets doen met mijn overmatige energie. Ik wilde alles of niets.’ Engelhard besloot een hoveniersbedrijf te beginnen. Hij zag geen andere keuze: werken voor een baas was geen optie en de economische situatie was in die dagen, begin jaren ’80, allesbehalve rooskleurig.
Zijn aanpak was niet doorsnee. Vormgeving werd zijn speerpunt. ‘Ik wilde de tuin vanuit een ander oogpunt benaderen. Ik wilde het groter zien.’ Vanaf het begin wilde Engelhard zich onderscheiden wat betreft communicatie en hij confronteerde zijn klanten met een geheel eigen vraagstelling. Hoe ziet je vakantie eruit? Wat spreekt je aan binnen architectuur en cultuur? Wat zijn je belangrijkste persoonlijke herinneringen? Waar let je op in een restaurant? Op de bediening? Op het interieur? ‘Ik wilde met mijn klanten niet alleen praten over de tuin maar ook over hoe ze in het leven staan. Ik zag – en zie dat nu nog steeds – als een ontdekkingsreis die ik samen met hen maakte. Zo kwam ik in de kwaliteit van de mensen. Zo kreeg ik binding met hun achtergrond en interesses en ontstond er vervolgens die klik.’
De ontwikkeling van Engelhard, inmiddels ruim 25 jaar werkzaam als vormgever, ging weliswaar stapsgewijs maar stond nooit stil. Tekenend was een constante behoefte aan verandering, aan vernieuwing. Zijn hoveniersbedrijf groeide naar 25 man personeel en kromp weer even makkelijk naar het handjevol mensen dat hij nu in dienst heeft. ‘Creativiteit is één, het sturen van een groep mensen en gelijktijdig waken over het creatieve proces is twee.’
Hij sloot zich aan bij de groep van Tophoveniers Nederland. ‘Ik wilde leren over het management van een hoveniersbedrijf. Horen hoe anderen dat deden. Daarnaast wilde ik mijn eigen specifieke benadering van het vak uitdragen.’ Die aansluiting bij de groep Tophoveniers bracht hem veel bij maar toch besloot hij er na een tijd weer uit te stappen. ‘Ik ben nog altijd groeiend, op zoek naar inspiratie, en moet dat proces op mijn eigen manier ondergaan.’

Vernieuwingsdrang
Vanuit die gedrevenheid en vernieuwingsdrang geeft Engelhard zichzelf continue de gelegenheid om te experimenteren.
Nu hij zijn hoveniersbedrijf vrijwel geheel van de hand heeft gedaan, gaat hij verder als ontwerpbureau. ‘Luc Engelhard – Architectuur in Buitenruimte’. De projecten die hij aanpakt, worden steeds groter. Voor wie het bedrijf van Engelhard bezoekt, is dat meteen duidelijk. De gebouwen zijn door hemzelf ontworpen net als de tafels, de kasten, de deuren… Het landschap en de tuin van drie hectare vormen de verpakking. ‘Het is inmiddels een ander type bedrijf geworden. De buitenruimte staat nog altijd centraal maar steeds vaker komen er ook vragen over interieur.’
Klanten komen daarom altijd naar hem toe, óp zijn bedrijf. Daar zijn de door hem gecreëerde oplossingen te bekijken, kunnen ze de sfeer proeven en kan Engelhard hen op de details wijzen. ‘In de tuinwereld speel ik een geheel eigen rol. Ik acteer binnen die tuinwereld. Het is de bedoeling dat de mensen iets overkomt als ze een door mij ontworpen gebied binnenstappen. Daarom is een bezoek aan mijn bedrijf essentieel voor de juiste communicatie.’
De tuinen van Engelhard zijn even sterk qua natuur als qua architectuur. Planten in een tuin moeten meerdere boeiende facetten hebben. Voor de basis gebruikt hij alleen planten die een hoofdrol kunnen spelen. Bladkleuren zijn belangrijk net als bladcontrasten. Met bloemen is hij voorzichtig. ‘Een enkele bloem is intrigerend, een bloemenzee vaak te veel van het goede. Planten kunnen je dan overdonderen waardoor het eindresultaat te druk is. Ik noem bloemen het puberale gedrag van planten.’
Bij planten let Engelhard op alle details. Het startmoment moet mooi zijn. Varens en grootbladige planten als Astilboïdes en Gunnera noemt hij daarbij als goede voorbeelden. ‘Het blad van deze planten ontvouwt zich op een fenomenale wijze. Elke fase is mooi, tot aan het moment dat het blad geheel ontwikkeld is.’ Daarna vraagt de bloei om aandacht waarbij Engelhard ook let op de uitbloei. ‘Sommige bloemen verdrogen en zorgen voor een mooi wintersilhouet, andere storten in elkaar.’ Beplanting, de natuur, moet versmelten met de monumentale elementen, de architectuur. Architectuur kan onder andere met planten worden uitgebeeld. Een laan van bomen, het werken met hagen, al dan niet strak geknipt, planten in grote groepen maar ook leegtes spelen een rol bij de uiteindelijke vormgeving. Vaker is architectuur aanwezig in de vorm van zogenaamde dode materialen. Die architectuur speelt een hoofdrol in de winter als planten naar de achtergrond zijn verschoven. ‘Gedurende de zomer pakken de individuele planten die architectuur dan weer op een subtiel wijze in. Laissez faire is het motto. De Engelsen hebben het dan over een lusher karakter van de tuin.’
Uiteindelijk zoekt Engelhard naar een interactie tussen het groen en de harde elementen als huis, terras, een spiegelend wateroppervlak of een beeld. ‘En steeds staat in dat hele verhaal de opdrachtgever centraal. Mijn doel is uiteindelijk de mens, de natuur én de architectuur aan elkaar te binden.’
In zijn vormgeving spelen lijnen een essentiële rol. ‘Lijnen moeten op zichzelf mooi zijn maar ook passen in het geheel. Het is een interactie. Alles moet iets met elkaar te maken hebben zonder dat je het opgedrongen wordt. En je moet het in alle seizoenen proeven.’ Engelhard vindt ook dat lijnen, als het even kan, contact moeten maken met de omgeving. Zo haal je naar zijn idee het landschap naar binnen en plaats je een tuin in zijn omgeving.
Zijn voorkeur gaat uit naar monumentale lijnen, maar blijft daarbij als een gewaarschuwd man. ‘Je moet daar gedoseerd mee omgaan. Monumentale lijnen stralen kracht uit en kunnen te dominant worden. Ook hier geldt weer dat ik probeer alle onderdelen met elkaar te laten harmoniëren. Daarbij zie ik het als mijn taak, en dat is tevens mijn genot, om van elk functioneel onderdeel een object te maken. Een oprit kan bij mij nooit alleen een oprit zijn.’

Het wilde beton
Engelhard gebruikt in zijn tuinen graag beton. Vanaf het allereerste moment paste hij het in zijn tuinen toe. ‘Een van de eerste dingen die ik in tuinen deed , was het omdraaien van de bekende grijze trottoirtegels van 30×30. Het afgewerkte randje raakte ik daarmee kwijt. Juist die pure, eerlijke maar ook ruige onderkant sprak en spreekt me nog steeds aan.’
Met die omgekeerde tegels experimenteerde Engelhard verder. Hij maakte er banken van en metselde er hoeken mee op. Opgestapeld vormden zich zuilen die weer interactie ondervonden met de stammen van omringende bomen. ‘Voortdurend deed ik onderzoek naar het materiaal. Ik herkende me in de ambachtslieden die ik in Parijs had gezien en ontdekte gelijktijdig dat ik kunst kon maken.’ Engelhard ging verder. Hij ontdekte de verschillende voordelen van het materiaal. ‘Het is goedkoop, het verouderd mooi, het is kneedbaar en te mengen met kleur. Soms komt het ook grillig uit de bekisting, dat maakt het spannend. Ik omschrijf het soms als een wild beest en dat wilde wil ik graag behouden.’ Ondanks dat het met alles com- bineert kan teveel beton in de tuin een gevaar vormen. Engelhard waarschuwt daarvoor en pleit ook hier voor een juiste dosering. ‘Bij een modern huis kan het snel te kil zijn. Dan stort ik het liever in stroken en laat daar bij- voorbeeld kruiptijm tussen groeien. Bij verti- caal gebruik kan ik ook met openingen wer- ken om een doorzicht te behouden.’ Engelhard ziet het als een kunst om met be- ton om te gaan. ‘Ik merk dat ik daarin een heel eigen manier ontwikkel. Omdat ik het nooit alleen maak, is het een aandachtspunt dat de diegene die het uitvoert het ook be- grijpt.’ Behalve naar juiste uitvoerders is hij ook altijd op zoek naar architecten die het vak begrijpen, die de ruimte voelen, die zelf ook zoeken naar tuin- en landschapsarchi- tecten die hún werk begrijpen. ‘Aan hen wil ik duidelijk maken dat ze met een door mij ontworpen buitenruimte investeren in vast- goed. Dat ze hun project zo op een andere manier neerzetten in de omgeving.’
Zijn zoektocht is nog niet voorbij. Het door de Tophoveniers Nederland uitgebrachte boekwerk waarin deze leden zich allemaal uitgebreid presenteren, maakt dat meer dan duidelijk. Waar elke hovenier in zijn voor- woord glashelder is over zijn visie en werk- wijze eindigt Engelhard meerdere zinnen met een vraagteken. ‘Wie zou ik zijn zonder mijn voorgangers; ook op zoek naar de brede mogelijkheden van vorm en materiaal? ’

luc engelhard